Annecy en omgeving
10 februari 2011 13:07
Overdag winkelen in de Rue Royale, ’s avonds dineren aan het water van de Thiou, met als toegift een ijsje op de Pont des Amours. De stad Annecy in de Alpen heeft alles in huis voor een geslaagde vakantie. Plak daar een paar dagen in de bergen rond de Mont Blanc aan vast en je stedelijk verblijf krijgt een verfrissend tegenwicht.
Tekst Annemiek Biersma
Fotografie Rick Arnold
Een mooie plek om een bezoek aan de stad te beginnen, zijn de Jardins de l’Europe, aan het noordelijkste puntje van het meer van Annecy. Het park huisvest een bonte verzameling planten, bloemen, dieren en mensen. Er wordt door jong en oud gepicknickt, gefietst en gewandeld. Een koppel met een hond duwt al joggend een kind in buggy over het pad. Iets verderop staat een groepje aankomende studenten in rood T-shirt bij elkaar, in afwachting van hun volgende ontgroeningopdracht. Het uitzicht op het meer is prachtig: in het turkooizen water weerspiegelen imposante bergen. Draai je om en Annecy komt in beeld. Een Frans Venetië, met een vleugje Parijs en een snufje van de naburige landen Italië en Zwitserland.
Annecy is mooi, maar prijzig. Na Parijs, Nice en Cannes is het zelfs de duurste stad van Frankrijk. Veel jongeren moeten daarom uitwijken naar de campagne. Maar Annecy is nog altijd goedkoper dan Genève. Veel Zwitsers komen in Annecy winkelen of hebben in of rond de stad een tweede huis. Genieten van het meer van kost gelukkig niets. Het water, dat in de zomer kan opwarmen tot wel 24 graden, ziet er nu nog rustig uit maar verwelkomt in de zomermaanden talrijke zeilers, windsurfers en waterskiërs. De stad is trots op haar meer, dat niet alleen een het op twee na grootste natuurlijke meer van Frankrijk, maar bovendien een van de schoonste van Europa is. Het loopt op de rivier de Thiou uit, die door de stad stroomt en waarop de houten boten van de annéciens flank aan flank liggen te wachten op een uitje. We besluiten de Thiou te volgen en zo het oude deel van de stad te verkennen.
Paardenkop en truffelworst
Mijn fotograaf ben ik al snel kwijt. De ene keer zie ik hem nog net een steegje induiken, dan weer hangt hij gevaarlijk boven het water om het Palais de l’Isle te fotograferen, een voormalige gevangenis uit de twaalfde eeuw, midden in de rivier. Ik geef hem geen ongelijk. Annecy is fotogeniek, de huizen doen Italiaans aan met hun gele, groene en roze gevels. De rode daken zijn niet alleen een mooi gezicht, maar pannendaken zijn ook verplicht gesteld sinds in de vijftiende eeuw het grootste deel van de stad, gebouwd van hout en stro, volledig afbrandde. De meeste huizen hebben twee deuren: de ene geeft toegang tot de straat, de andere tot de rivier. In de oude wijken zien we straten met mooie booggalerijen, waar al sinds de middeleeuwen handel en uitwisselingen plaatsvinden. Zoals de Rue Filaterie, die je buik met iedere stap harder laat knorren. De uitgestalde groente en fruit zien er verser dan vers uit, niet veel verder kan je een hele ham of cervelas truffé kopen die weer goed samen zouden gaan met een glaasje roussette de Savoie, te koop in de winkel ernaast. Even later heet een stenen paardenkop, aan de gevel van een met gele tegeltjes bezet pand, de bezoeker welkom in de laatste boucherie chevaline van de stad. “Wie van paardenvlees houdt moet snel zijn,” deelt de slagersvrouw achter de fel verlichte toonbank ons mee. Na 54 jaar zal ze de zaak sluiten. Iets verder, in Rue Grenette, vergapen enkele lekkerbekken zich aan de salade de poulpes en de crôute jambon van Pauvert, de beste traiteur van de stad.
Aan restaurants geen gebrek. Verse forel uit het meer, tevens het symbool van Annecy, wordt geserveerd in toeristische tentjes langs de rivier of in de wat minder voor de hand liggende restaurants in doodlopende steegjes. Keuze te over. Maar over de plek waar je een kopje thee met chocoladegebak moet bestellen bestaat geen twijfel. Dat is bij theesalon Au Fidèle Berger op het plein waar de Rue Carnot, Rue de Pâquier en de Rue Royale samenkomen. Aan het einde van de middag is het terras gevuld met chique dames uit de stad en publiek dat na alle winkels in de Rue Royale weer op kracht moet komen. Kinderen rennen tussen de tafeltjes door, een hond wacht geduldig op iets lekkers. De opvallendste verschijning van het terras is de stijlvolle dame met hagelwit opgestoken haar en even vlekkeloos mantelpakje. “Dat is madame Salsa,” weet een van de bediendes me te vertellen, “iedere dag breng ik haar stipt om vijf uur een kopje thee.”
Oud en nieuw
De Col de la Forclaz, op 1150 meter hoogte aan de zuidkant van het meer, laat de stad van een heel andere kant zien. Tenminste, bij helder weer. Helaas is het vandaag mistig, waardoor we slechts flarden van het meer opvangen. En toegegeven, als het even opentrekt, is het uitzicht meer dan de moeite waard. Een gepaste beloning voor die dappere wielrenners die we met de auto op weg naar boven zijn gepasseerd. Voor Annecy ligt het dorpje Talloires, een andere geliefde plek aan het meer, met daarachter Menthon-Saint-Bernard. Het verhaal gaat dat het gelijknamige kasteel in dit dorp zo’n indruk maakte op Walt Disney, dat hij de barokke kastelen in zijn sprookjes erop zou hebben gebaseerd.
We zakken verder af naar het zuiden, naar het dorp Sainte-Pierre d’Albigny, aan de rand van het regionale natuurpark Massif des Bauges. Een goede uitvalsbasis voor lange wandelingen. Het Château des Allues, een statig pand omringd door veel groen, blijkt geen aanleiding nodig te hebben voor een bezoek. Een Schotse bearded collie komt ons blaffend tegemoet en verdwijnt al snel weer naar binnen, zijn neus achterna. “Wij hebben al kennisgemaakt,” vertel ik Stéphane, de eigenaar van deze maison et table d’hôtes, die de langharige Lucky bij zich roept. Bij binnenkomst begrijp ik direct waarom het dier zo heet, want wie hier woont is een geluksvogel. De geur uit de keuken is heerlijk. Een huisvriend staat met opgestroopte mouwen gevulde tomatenkoekjes te maken. De tegeltjes glimmen, pannen bungelen aan het plafond. “Mijn partner Didier en ik wilden een intieme, familiale sfeer creëren in dit huis,” vertelt Stéphane. “Er is één menu, alle gasten ontbijten en dineren samen aan dezelfde lange tafel. Didier en Stéphane zijn jaren bezig geweest met de inrichting. Het resultaat is een bonte, eclectische verzameling van oude en nieuwe spullen. Vind je achter de ene deur een klassiek hemelbed tegen een romantisch bloemetjesbehang, achter de andere deur liggen Perzische tapijten op de grond, verfraaid met een baldakijn en een stoel in tijgerprint. Of je nu liever een gobelinmotief of hertengewei aan de muur hebt, het weidse uitzicht op de bergen is prachtig.

Afgelegen charme
De weg naar Roselend gaat door de groene vallei Beaufortain. Geen scherpe bergtoppen in dit vriendelijke middengebergte, maar dichte naaldbossen, afgewisseld met uitgestrekte alpenweiden. Honderden chalets liggen hierover uitgestrooid, vaak vergezeld door een of twee kleine schuurtjes ernaast. In deze greniers bewaart de familie haar kostbare bezit, zoals kleding en documenten. De chalets van hout en steen worden van half juni tot half september opgezocht door herders die met hun kudden van huisje naar huisje trekken, op zoek naar vers gras. Hun koeien, van de rassen tarine en abondance, zijn opgewassen tegen de barre levensomstandigheden in de bergen en geven melk waar de beroemde Beaufortkaas van wordt gemaakt, het witte goud van de streek. Waar je ook bent, het doordringende geluid van koeienbellen is nooit ver weg.
In de heuvels, te bereiken via slingerende kronkelwegen, liggen kleine gehuchten verscholen waarvan Boudin een mooi voorbeeld is. De traditionele houten huizen, in een beschermde hameau (gehucht) dat slechts vijftig zielen telt, worden het hele jaar door bewoond. Door familie én vee. Brandhout liggen keurig opgestapeld. Het dorp is voorbereid op lange, ingesneeuwde dagen, wanneer de bewoonde wereld niet of nauwelijks te bereiken is.
In een enkele zonnestraal die door het wolkendek breekt, doemt de ene na de andere berg op. Voor ons tuft een tractor, bepakt en bezakt met gras. Naast kaas en wintersport (veel boeren zijn in de winter genoodzaakt bij te verdienen in het skitoerisme) kent de streek een derde bron van inkomsten: de dammen die voor hydro-elektriciteit zorgen. Je zou verwachten dat de Barrage de Roselend, een achthonderd meter lang gevaarte, afbreuk doet aan het landschap. Niets is minder waar. Automobilisten en fietsers volgen de ronde vormen van de stuwdam, onder hen in het meer kraakhelder blauw water. Het stuwmeer kijkt uit over lariksbossen en bergkammen, de Mont Blanc en de Pierre Menta. Volgens de legende zou de reus Gargantua, teleurgesteld dat hij er niet in slaagde via de Mont Blanc in Italië te komen, de Chaîne des Aravis een trap hebben gegeven, waarbij deze ‘steen’ daar midden in de Beaufort is terecht gekomen.
Stevige berglunch
Een stukje verderop laten we de auto staan om een bescheiden klim naar ons lunchadres te maken, op 1850 meter hoogte. Een kiezelpad leidt ons omhoog langs rotsen en paarse mariadistel. Het is druk in de refuge Plan de Maya, stevige wandellaarzen staan voor de deur. Tussen de houten bankjes lopen een paar zenuwachtige kippen en haan, opgejaagd door de huishond. Wandelaars kunnen hier overnachten en vermoeide benen wat rust geven. Op het menu veel lokale specialiteiten zoals diots (kleine varkensworstjes gesmoord in witte wijn met ui en kruiden), crozets (vierkante pasta) en salade de l’Alpage met drie kazen (tomme, reblochon en beaufort). Françoise Bochet zet in een eenvoudige keuken een gigantische pan aardappelen op het vuur. “Mijn man is boer, het vlees op het vuur is van onze eigen koeien. In de zomer sta ik er grotendeels alleen voor, maar gelukkig helpt mijn dochter een handje.” In de zomer woont het echtpaar in de bergen, in de winter dalen ze af naar de vallei. Een goedlachse Fransman schenkt zijn tafelgenoten kleine glaasjes alcohol in. Of ik ook wat wil proeven? Het spul is zo scherp dat ik besluit het bij een slokje te houden. “C’est bon pour le coeur,” grinnikt hij, terwijl hij op zijn borst slaat. In de fles zonder etiket zit zelf gebrouwen gentiane, gemaakt van de gelijknamige blauwe bergbloem.
Bloemendorp
Op zo’n vijftig kilometer ten westen van Annecy ligt Chanaz, onze laatste bestemming. Een romantische ville fleurie ten noorden van het Lac de Bourget. Het bloemendorp is tegen de berg aan gebouwd, aan het vier kilometer lange Canal de Savières. Op dit kanaal, dat uitmondt in de Rhône, liggen de nodige rondvaartboten op dagjestoeristen te wachten. Je kunt hier mooi wandelen door de kleine, schuine straatjes uit de vijftiende en zestiende eeuw, versierd met bloemen en klimop. De enthousiaste molenmeester van Le Moulin de Chanaz laat je graag zijn hazelnootjam proeven. In de winter is hier niet veel te beleven, het dorp leeft op in de zomer wanneer een grote schare toeristen zich neervlijt op een van de vele terrasjes aan het water. De stilte van de bergen is hier niet vinden, wel rinkelende wijnglazen, jengelende kinderen en het gesnurk van mijn buurman, die een lunchdip heeft. Ach, die symfonie van koeienbellen was eigenlijk zo gek nog niet.
Meer lezen? Ga voor meer informatie naar:
www.savoie-mont-blanc.com
www.rhonealpes-toersime.nl
www.mijnfrankrijkgids.nl
Dit artikel is gepubliceerd in En France 1-2010. Let op: prijzen, adressen en openingstijden kunnen sindsdien veranderd zijn.
Fotografie Rick Arnold
Een mooie plek om een bezoek aan de stad te beginnen, zijn de Jardins de l’Europe, aan het noordelijkste puntje van het meer van Annecy. Het park huisvest een bonte verzameling planten, bloemen, dieren en mensen. Er wordt door jong en oud gepicknickt, gefietst en gewandeld. Een koppel met een hond duwt al joggend een kind in buggy over het pad. Iets verderop staat een groepje aankomende studenten in rood T-shirt bij elkaar, in afwachting van hun volgende ontgroeningopdracht. Het uitzicht op het meer is prachtig: in het turkooizen water weerspiegelen imposante bergen. Draai je om en Annecy komt in beeld. Een Frans Venetië, met een vleugje Parijs en een snufje van de naburige landen Italië en Zwitserland.
Annecy is mooi, maar prijzig. Na Parijs, Nice en Cannes is het zelfs de duurste stad van Frankrijk. Veel jongeren moeten daarom uitwijken naar de campagne. Maar Annecy is nog altijd goedkoper dan Genève. Veel Zwitsers komen in Annecy winkelen of hebben in of rond de stad een tweede huis. Genieten van het meer van kost gelukkig niets. Het water, dat in de zomer kan opwarmen tot wel 24 graden, ziet er nu nog rustig uit maar verwelkomt in de zomermaanden talrijke zeilers, windsurfers en waterskiërs. De stad is trots op haar meer, dat niet alleen een het op twee na grootste natuurlijke meer van Frankrijk, maar bovendien een van de schoonste van Europa is. Het loopt op de rivier de Thiou uit, die door de stad stroomt en waarop de houten boten van de annéciens flank aan flank liggen te wachten op een uitje. We besluiten de Thiou te volgen en zo het oude deel van de stad te verkennen.
Paardenkop en truffelworst
Mijn fotograaf ben ik al snel kwijt. De ene keer zie ik hem nog net een steegje induiken, dan weer hangt hij gevaarlijk boven het water om het Palais de l’Isle te fotograferen, een voormalige gevangenis uit de twaalfde eeuw, midden in de rivier. Ik geef hem geen ongelijk. Annecy is fotogeniek, de huizen doen Italiaans aan met hun gele, groene en roze gevels. De rode daken zijn niet alleen een mooi gezicht, maar pannendaken zijn ook verplicht gesteld sinds in de vijftiende eeuw het grootste deel van de stad, gebouwd van hout en stro, volledig afbrandde. De meeste huizen hebben twee deuren: de ene geeft toegang tot de straat, de andere tot de rivier. In de oude wijken zien we straten met mooie booggalerijen, waar al sinds de middeleeuwen handel en uitwisselingen plaatsvinden. Zoals de Rue Filaterie, die je buik met iedere stap harder laat knorren. De uitgestalde groente en fruit zien er verser dan vers uit, niet veel verder kan je een hele ham of cervelas truffé kopen die weer goed samen zouden gaan met een glaasje roussette de Savoie, te koop in de winkel ernaast. Even later heet een stenen paardenkop, aan de gevel van een met gele tegeltjes bezet pand, de bezoeker welkom in de laatste boucherie chevaline van de stad. “Wie van paardenvlees houdt moet snel zijn,” deelt de slagersvrouw achter de fel verlichte toonbank ons mee. Na 54 jaar zal ze de zaak sluiten. Iets verder, in Rue Grenette, vergapen enkele lekkerbekken zich aan de salade de poulpes en de crôute jambon van Pauvert, de beste traiteur van de stad.
Aan restaurants geen gebrek. Verse forel uit het meer, tevens het symbool van Annecy, wordt geserveerd in toeristische tentjes langs de rivier of in de wat minder voor de hand liggende restaurants in doodlopende steegjes. Keuze te over. Maar over de plek waar je een kopje thee met chocoladegebak moet bestellen bestaat geen twijfel. Dat is bij theesalon Au Fidèle Berger op het plein waar de Rue Carnot, Rue de Pâquier en de Rue Royale samenkomen. Aan het einde van de middag is het terras gevuld met chique dames uit de stad en publiek dat na alle winkels in de Rue Royale weer op kracht moet komen. Kinderen rennen tussen de tafeltjes door, een hond wacht geduldig op iets lekkers. De opvallendste verschijning van het terras is de stijlvolle dame met hagelwit opgestoken haar en even vlekkeloos mantelpakje. “Dat is madame Salsa,” weet een van de bediendes me te vertellen, “iedere dag breng ik haar stipt om vijf uur een kopje thee.”
Oud en nieuw
De Col de la Forclaz, op 1150 meter hoogte aan de zuidkant van het meer, laat de stad van een heel andere kant zien. Tenminste, bij helder weer. Helaas is het vandaag mistig, waardoor we slechts flarden van het meer opvangen. En toegegeven, als het even opentrekt, is het uitzicht meer dan de moeite waard. Een gepaste beloning voor die dappere wielrenners die we met de auto op weg naar boven zijn gepasseerd. Voor Annecy ligt het dorpje Talloires, een andere geliefde plek aan het meer, met daarachter Menthon-Saint-Bernard. Het verhaal gaat dat het gelijknamige kasteel in dit dorp zo’n indruk maakte op Walt Disney, dat hij de barokke kastelen in zijn sprookjes erop zou hebben gebaseerd.
We zakken verder af naar het zuiden, naar het dorp Sainte-Pierre d’Albigny, aan de rand van het regionale natuurpark Massif des Bauges. Een goede uitvalsbasis voor lange wandelingen. Het Château des Allues, een statig pand omringd door veel groen, blijkt geen aanleiding nodig te hebben voor een bezoek. Een Schotse bearded collie komt ons blaffend tegemoet en verdwijnt al snel weer naar binnen, zijn neus achterna. “Wij hebben al kennisgemaakt,” vertel ik Stéphane, de eigenaar van deze maison et table d’hôtes, die de langharige Lucky bij zich roept. Bij binnenkomst begrijp ik direct waarom het dier zo heet, want wie hier woont is een geluksvogel. De geur uit de keuken is heerlijk. Een huisvriend staat met opgestroopte mouwen gevulde tomatenkoekjes te maken. De tegeltjes glimmen, pannen bungelen aan het plafond. “Mijn partner Didier en ik wilden een intieme, familiale sfeer creëren in dit huis,” vertelt Stéphane. “Er is één menu, alle gasten ontbijten en dineren samen aan dezelfde lange tafel. Didier en Stéphane zijn jaren bezig geweest met de inrichting. Het resultaat is een bonte, eclectische verzameling van oude en nieuwe spullen. Vind je achter de ene deur een klassiek hemelbed tegen een romantisch bloemetjesbehang, achter de andere deur liggen Perzische tapijten op de grond, verfraaid met een baldakijn en een stoel in tijgerprint. Of je nu liever een gobelinmotief of hertengewei aan de muur hebt, het weidse uitzicht op de bergen is prachtig.
Afgelegen charme
De weg naar Roselend gaat door de groene vallei Beaufortain. Geen scherpe bergtoppen in dit vriendelijke middengebergte, maar dichte naaldbossen, afgewisseld met uitgestrekte alpenweiden. Honderden chalets liggen hierover uitgestrooid, vaak vergezeld door een of twee kleine schuurtjes ernaast. In deze greniers bewaart de familie haar kostbare bezit, zoals kleding en documenten. De chalets van hout en steen worden van half juni tot half september opgezocht door herders die met hun kudden van huisje naar huisje trekken, op zoek naar vers gras. Hun koeien, van de rassen tarine en abondance, zijn opgewassen tegen de barre levensomstandigheden in de bergen en geven melk waar de beroemde Beaufortkaas van wordt gemaakt, het witte goud van de streek. Waar je ook bent, het doordringende geluid van koeienbellen is nooit ver weg.
In de heuvels, te bereiken via slingerende kronkelwegen, liggen kleine gehuchten verscholen waarvan Boudin een mooi voorbeeld is. De traditionele houten huizen, in een beschermde hameau (gehucht) dat slechts vijftig zielen telt, worden het hele jaar door bewoond. Door familie én vee. Brandhout liggen keurig opgestapeld. Het dorp is voorbereid op lange, ingesneeuwde dagen, wanneer de bewoonde wereld niet of nauwelijks te bereiken is.
In een enkele zonnestraal die door het wolkendek breekt, doemt de ene na de andere berg op. Voor ons tuft een tractor, bepakt en bezakt met gras. Naast kaas en wintersport (veel boeren zijn in de winter genoodzaakt bij te verdienen in het skitoerisme) kent de streek een derde bron van inkomsten: de dammen die voor hydro-elektriciteit zorgen. Je zou verwachten dat de Barrage de Roselend, een achthonderd meter lang gevaarte, afbreuk doet aan het landschap. Niets is minder waar. Automobilisten en fietsers volgen de ronde vormen van de stuwdam, onder hen in het meer kraakhelder blauw water. Het stuwmeer kijkt uit over lariksbossen en bergkammen, de Mont Blanc en de Pierre Menta. Volgens de legende zou de reus Gargantua, teleurgesteld dat hij er niet in slaagde via de Mont Blanc in Italië te komen, de Chaîne des Aravis een trap hebben gegeven, waarbij deze ‘steen’ daar midden in de Beaufort is terecht gekomen.
Stevige berglunch
Een stukje verderop laten we de auto staan om een bescheiden klim naar ons lunchadres te maken, op 1850 meter hoogte. Een kiezelpad leidt ons omhoog langs rotsen en paarse mariadistel. Het is druk in de refuge Plan de Maya, stevige wandellaarzen staan voor de deur. Tussen de houten bankjes lopen een paar zenuwachtige kippen en haan, opgejaagd door de huishond. Wandelaars kunnen hier overnachten en vermoeide benen wat rust geven. Op het menu veel lokale specialiteiten zoals diots (kleine varkensworstjes gesmoord in witte wijn met ui en kruiden), crozets (vierkante pasta) en salade de l’Alpage met drie kazen (tomme, reblochon en beaufort). Françoise Bochet zet in een eenvoudige keuken een gigantische pan aardappelen op het vuur. “Mijn man is boer, het vlees op het vuur is van onze eigen koeien. In de zomer sta ik er grotendeels alleen voor, maar gelukkig helpt mijn dochter een handje.” In de zomer woont het echtpaar in de bergen, in de winter dalen ze af naar de vallei. Een goedlachse Fransman schenkt zijn tafelgenoten kleine glaasjes alcohol in. Of ik ook wat wil proeven? Het spul is zo scherp dat ik besluit het bij een slokje te houden. “C’est bon pour le coeur,” grinnikt hij, terwijl hij op zijn borst slaat. In de fles zonder etiket zit zelf gebrouwen gentiane, gemaakt van de gelijknamige blauwe bergbloem.
Bloemendorp
Op zo’n vijftig kilometer ten westen van Annecy ligt Chanaz, onze laatste bestemming. Een romantische ville fleurie ten noorden van het Lac de Bourget. Het bloemendorp is tegen de berg aan gebouwd, aan het vier kilometer lange Canal de Savières. Op dit kanaal, dat uitmondt in de Rhône, liggen de nodige rondvaartboten op dagjestoeristen te wachten. Je kunt hier mooi wandelen door de kleine, schuine straatjes uit de vijftiende en zestiende eeuw, versierd met bloemen en klimop. De enthousiaste molenmeester van Le Moulin de Chanaz laat je graag zijn hazelnootjam proeven. In de winter is hier niet veel te beleven, het dorp leeft op in de zomer wanneer een grote schare toeristen zich neervlijt op een van de vele terrasjes aan het water. De stilte van de bergen is hier niet vinden, wel rinkelende wijnglazen, jengelende kinderen en het gesnurk van mijn buurman, die een lunchdip heeft. Ach, die symfonie van koeienbellen was eigenlijk zo gek nog niet.
Meer lezen? Ga voor meer informatie naar:
www.savoie-mont-blanc.com
www.rhonealpes-toersime.nl
www.mijnfrankrijkgids.nl
Dit artikel is gepubliceerd in En France 1-2010. Let op: prijzen, adressen en openingstijden kunnen sindsdien veranderd zijn.


