Nord Pas de Calais: Eeuwenoude pareltjes

19 januari 2011 10:29
Van oudsher was het noorden van Frankrijk een streek van mijnbouw, industrie en oorlogsgraven. Een streek waar je zo snel mogelijk doorheen reed, op weg naar het échte Frankrijk, in het zuiden. Maar de regio Nord-Pas de Calais is opgekrabbeld en plaatst nu trots zijn erfgoed voor het voetlicht.
Tekst Leo Alexander Schlangen
Beeld Ingmar Timmer

Roetzwarte stadjes met industriële silhouetten, troosteloze wijken vol rokende oud-mijnwerkers, kasseien die schokbrekers slopen, een onverstaanbaar dialect waarin ti en mi staan voor toi en moi en zo kan ik nog wel een paar vooroordelen over Noord-Frankrijk bedenken.
Die stereotiepe beelden lijken te zijn gekerfd in het collectieve onderbewustzijn van de Nederlander. Hoe we daar aan komen? Wellicht zijn ze van generatie op generatie doorgegeven, zoals in mijn geval. Als kind luisterde ik op de achterbank naar de weinig verheffende commentaren van mijn ouders als we met de auto door Noord-Frankrijk sjeesden. Dat gemopper van pa en ma weerklonk later in mijn hoofd als ik de verkeersborden met Lens, Roubaix, Cambrai, Douai en Arras passeerde, die ik beschouwde als een uitnodiging om het gaspedaal wat dieper in te trappen. Onterecht, zo blijkt na een aangename ontdekkingstocht door de regio Nord-Pas de Calais.
Patrick Hurtrelle kan wel lachen om mijn lijstje met redenen om vooral níet naar Noord-Frankrijk te gaan. De bebaarde Arrageois woont en werkt al zijn hele leven in een klein, volgestouwd antiquariaat in het centrum van Arras. “Als ik vertel dat deze streek staatslieden als Charles de Gaulle en Maximilien de Robespierre en kunstenaars als Henri Matisse, Jean Bellegambe en Jean Antoine Watteau heeft voortgebracht, dan werpt dat wellicht al een ander licht op deze regio,” zegt hij zonder greintje ergernis. “Ach, het is een imagokwestie. Mensen die zich niet laten afschrikken door een paar karikaturale beelden zullen ontdekken dat de departementen Nord en Pas-de-Calais buitengewoon dynamisch zijn. Ze hebben een intrigerende geschiedenis met economische pieken en dalen, maar de vouwen zijn altijd gladgestreken door de unieke gastvrijheid. Ik voorspel dat dit over twintig jaar weer een van de belangrijkste regio’s van Frankrijk is. Met Londen en Parijs op een dik uur met de trein, een kanaal dat ons straks met Rotterdam verbindt en landbouwbedrijven en industrieën die zich vernieuwen… Enfin, zullen we morgenavond een jenevertje pakken op de Grand’ Place?”

Gepeperde pens
Arras (in het Nederlands Atrecht) is de hoofdstad van de Pas-de-Calais en kent een rijke historie als belangrijkste stad van Artesië, een graafschap dat deel uitmaakte van de Zeventien Provinciën van de Habsburgse Nederlanden (1543-1581). Het centrum van de stad met zo’n 48 duizend inwoners bezit nog steeds Zuid-Nederlandse trekjes. De twee marktpleinen, de Grand’ Place (groot betekent ook écht groot met een oppervlakte van één hectare!) en de Place des Héros, worden omzoomd door 155 magnifieke huizen met gevels in een Vlaamse barokstijl.
Fraaie arcades overdekken de trottoirs. Onder de gewelfde plafonds liggen winkeltjes met houten puien. Met in de etalages streekkazen als maroilles, mimolette en coeur d’Arras, en het befaamde Bleu d’Arras, het handbeschilderde porselein dat wel iets weg heeft van ons Delfts Blauw. Bij Le Georget zijn rond zonsopgang de ramen al beslagen. Het zit er stampvol met marktkooplui die zich komen opwarmen.
De rondborstige uitbaatster met bloemetjesschort serveert dampende koppen koffie. Rond het middaguur schakelt ze vrolijk over op blond schuimend bier en glimmende andouillettes d’Arras.” Ze is aangenaam verrast als we de lokale lekkernij bestellen. “De meeste Hollanders moeten er niks van weten,” roept ze naar een stel stamgasten in de hoek. Met rode hoofden kijken ze toe hoe ik een vork in het worstje van gepeperde pens en ander orgaanvlees prik. Ze applaudisseren nét niet als ik even later mijn bord keurig leeg gegeten aan de uitbaatster meegeef.

Gangenstelsel
Tussen de glooiende heuvels van Noord-Frankrijk rijzen witte kruisen als champignons uit de aarde. Ze herinneren aan de vele slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Ook Arras ontsnapte niet aan de bommen en granaten. De inwoners, en later de militairen die de Duitse bezetter verdreven, leefden als mollen in een gangenstelsel onder de stad. Het kilometers lange netwerk begint onder de Grand’Place en loopt tot ver buiten de stadsgrenzen.
“Vanaf de middeleeuwen werd hier kalkzandsteen gedolven en zo is een onderaardse stad ontstaan,” vertelt Robbie Addink. De Nederlander woont al 25 jaar in Arras en zegt er nooit meer weg te gaan. Naast het toilet in zijn sfeervolle restaurant Aux Grandes Arcades opent hij een deur die naar een trap leidt. Op zo’n tien meter diepte ontvouwt zich in het schemerdonker een nieuwe wereld. “Vroeger werden de gangen als kelders gebruikt,” galmt de stem van Addink, “en er werden ook paarden gestald.” In totaal bezit hij zo’n tweehonderd vierkante meter kelder. We zien een proeflokaal met wijnrekken, een feestruimte (“je kunt zo veel lawaai maken als je wilt, want niemand hoort je hier”) en een opslagplaats voor het restaurant. In een doodlopende gang klopt hij met zijn vlakke hand op de muur. “Hierachter ligt de parkeergarage van de Grand’ Place.”
Op een steenworp afstand ligt La Carrière Wellington, een hagelnieuw museum dat zich, net als Robbie Addinks kelders, voor het grootste deel aan het daglicht onttrekt. Het is in het leven geroepen als herinnering aan de dramatische Slag bij Arras op 9 april 1917. Een indringende tocht door een gangenstelsel verhaalt met beelden, geluiden en voorwerpen over de 24 duizend (!) Britse, Nieuw-Zeelandse, Indiase en Australische soldaten die zich hier dagenlang schuilhielden. We zien in de schaars verlichte gangen zwarte kaarsstrepen aan de voet van een steunpilaar, waar daags voor de slag nog een mis werd opgedragen. Op onze wandeling passeren we ook wandtekeningen en inscripties van soldaten die de tijd probeerden te doden. En waterputten, stapelbedden en latrines. Stuk voor stuk stillevens die doodsangst en waanzin ademen.
Op de dag van de slag verrasten de geallieerden de Duitsers. Met dank aan speciale tunnelgravers uit Nieuw-Zeeland. De ‘kiwi’s’ groeven gedurende enkele maanden zo’n 81 meter per dag om hun collega’s achter de Duitse linies boven de aarde te laten komen. Aanvankelijk slaagde het offensief. Door getreuzel van hogerhand stokte de opmars echter na drie dagen. De nieuwe patstelling kostte in de daaropvolgende twee maanden dagelijks zo’n vierduizend geallieerde soldaten het leven. Met de intense indrukken nog op het netvlies ‘landen’ we weer op zeeniveau. Boven ons jagen wolken aan de hemel en stuwt een windvlaag de herfstbladeren over de stoep. Stil stappen we in de auto.

Hel van het Noorden
De regio Nord-Pas de Calais is een vat vol culturele verrassingen. Wie goed zoekt, vindt tussen de grauwe industriegebieden en woonwijken genoeg pareltjes. Het scherpe contrast maakt een verblijf in deze regio ook wel zo spannend. Niet alles is even mooi en aangeharkt, maar je ziet en proeft de vooruitgang. Zelfs in Roubaix, de stad die we vooral kennen van de wielerklassieker Parijs-Roubaix.
Sportliefhebbers kennen deze wedstrijd als de Hel van het Noorden, vanwege het moordende traject dat de wielrenners afleggen over kasseiwegen. Voor de inwoners gold Roubaix ook lange tijd als een hel. Toen in de jaren zeventig de plaatselijke textielindustrie werd weggeconcurreerd door fabrieken in lagelonenlanden, verloren duizenden mensen hun werk. De stad verarmde, verkrotte en de fabrieksschoorstenen zwegen.
De voormalige textielhoofdstad van Frankrijk krabbelt de laatste jaren voorzichtig op. Veel oude gebouwen in het centrum zijn inmiddels opgeknapt, zoals het treinstation en het pompeuze raadhuis. De grootste publiekstrekker is echter een art-decozwembad uit 1927 dat onderdak biedt aan het Musée d’Art et d’Industrie, kortweg La Piscine genoemd.
Na een grootscheepse renovatie in 1985, waarbij omkleedhokjes, bassin, tegelwanden en pompinstallaties bewaard bleven, kreeg het zwembad de huidige bestemming. In het daglicht dat door immense glas-in-loodramen binnenvalt, zijn negentiende- en twintigste-eeuwse sculpturen, schilderijen, kostuums, weefsels en keramiek tentoongesteld. Ze hebben op enigerlei wijze een band met de plaatselijke textielhistorie.
Te midden van de kunst spiegelt onder het holle plafond ook het water waarin vroeger de textielbaronnen hun baantjes trokken, tegelijk met hun arbeiders. Om de paar minuten schallen er uit luidsprekers zwembadgeluiden – de eerste keer is het even schrikken. Het kortstondige gejoel en gespetter van vrolijke mensen went snel.
Het museum trekt jaarlijks zo’n half miljoen bezoekers. Dat is buitengewoon veel voor een stad als Roubaix, waar toeristen tot voor kort zelfs tegen betaling niet naartoe wilden. Tip: bezoek ook het restaurant van het museum. In het stijlvolle, authentieke interieur serveert men niet alleen smakelijke lokale gerechten als potjevleesch, maar ook de zoetigheden van patisserie Meert uit Lille, sinds 1761 een van de beste banket- en chocoladehuizen van Frankrijk.

Geboorteplek van Matisse
Meer oostwaarts in departement Nord ligt Le Cateau-Cambrésis, een provincieplaatsje dat alleen over de Route Nationale is te bereiken. Ver van alle snelwegen, tussen groene heuvels waarop koeien grazen rond in zich zelfgekeerde hoeves. Lang geleden stond Le Cateau-Cambrésis in het middelpunt van de belangstelling toen Engeland, Frankrijk en Spanje er een vredesverdrag sloten. Daarna werd het stiller en nóg stiller. Totdat de beroemdste zoon van het stadje besloot die stilte te doorbreken.
In 1952 opende Henri Matisse (1869-1954) hier namelijk een museum waaraan hij een deel van zijn kunstzinnige scheppingen schonk. Hij had, zo vertelde hij in zijn openingsrede, in deze landelijke omgeving “een prettige jeugd” gekend en zijn “favoriete kleuren” leren kennen. Als jonge nog onbekende kunstenaar verruilde Matisse zijn geboorteplaats voor Parijs om een daverende carrière tegemoet te gaan. Maar vlak voor zijn dood voelde hij zich, als gelauwerd artiest, kennelijk niet te groot om een deel van zijn werk te laten na te laten aan de weinig wereldse stad van zijn jeugd. De omgeving rond Le Cateau-Cambrésis is beeldschoon. Zeker als je nog iets verder naar het oosten rijdt, naar dorpjes als Prisches en Avesnes, waar pittoreske watermolens, glooiende vergezichten met kerktorens en meanderende, holle weggetjes een landschap vormen dat al eeuwenlang onaangetast is gebleven.
Het drukbezochte Musée Matisse is gehuisvest in het Palais Fénelon. Toen Henri Matisse het uitkoos voor zijn artistieke erfenis was het een tochtig en versleten pand. Zeven jaar geleden ging een legertje bouwvakkers het echter grondig te lijf en sindsdien staat het er blinkend, groot en licht bij. Belangrijker: nergens ter wereld vind je meer Matisses per vierkante meter dan in deze uithoek van Nord. Van zijn vroege, nog realistische schilderijen tot de meesterlijke collages die hij op het eind van zijn leven in bed knipte en schilderde. Maar er zijn ook minder bekende werken van zijn hand als beelden, keramiek en glas-in-loodramen.
In een vleugel treffen we werk van een andere bekende streekgenoot aan: Auguste Herbin (1882-1960), die met haast wiskundige werken maakte. Explosief gekleurde driehoeken, cirkels, rechthoeken en muzieknoten dansen op zijn schilderijen. Elke kleur staat voor een letter uit een vormalfabet dat hij had uitgedacht. Een groepje Japanners krijgt maar geen genoeg van een olijke piano die Herbin veranderende in een Mondriaanachtige muziekdoos. Extravagant, vrolijk en een beetje maf. Alsof hij de ziel van deze regio wilde vangen.



Louvre II in Lens

Toen het prestigieuze Louvre in 2003 bekendmaakte een dependance te openen buiten Parijs, stelden zes steden uit het noorden zich meteen kandidaat: Arras, Calais, Boulogne-sur-Mer, Lens, Valenciennes en Amiens. Eind 2004 viel de keuze op Lens. Het in versukkeling geraakte mijnbouwstadje had, in tegenstelling tot de andere kandidaten, geen trekpleister van naam en kon wel een culturele oppepper gebruiken. Bovendien gooide het een fraaie bouwlocatie in de strijd: een oude mijngroeve met een oppervlakte van twintig hectare. Lens is bovendien zowel per TGV als per auto (snelwegen A26 en A1) gemakkelijk te bereiken. Inmiddels is men er ijverig aan de slag, niet alleen met de bouw van het museum maar ook met de renovatie van omliggende woonwijken. Voor het museumontwerp, dat veel wegheeft van een verzameling transparante rechthoeken, tekenden het Japanse architectenbureau Sanaa en de Amerikaanse architecten Celia Imrey en Tim Culbert. In een zogenoemde ‘tijdgalerij’ van 130 meter lengte zullen werken die in het Parijse moedermuseum staan opgeslagen nu eindelijk een plekje aan de muur krijgen. Naar verwachting opent Louvre II de deuren in 2011.

De kunst van het verdedigen
Sebastien le Prestre (1633-1707) was een befaamde vestingbouwer uit de militaire geschiedenis van Frankrijk. Op zeker tien plekken in Nord-Pas de Calais liet hij robuuste versterkingen verrijzen die nog altijd overeind staan. Een van de indrukwekkendste daarvan is de citadel van Lille. Maar die van Arras is ook de moeite waard, al kreeg deze de bijnaam ‘de Mooie Nutteloze’. De ligging, ten zuidwesten van Arras, bleek in het geval van een belegering niet bepaald strategisch te zijn gekozen en zo schoot de citadel letterlijk zijn doel voorbij. Le Prestre liet er ook één bouwen in Montreuil-sur-Mer, een lieflijk stadje in het uiterste zuidwesten van departement Pas-de-Calais. Victor Hugo gebruikte de vesting als decor voor Les Misérables. Montreuil-sur-Mer staat tegenwoordig te boek als het ‘mooiste ommuurde stadje van Noord-Frankrijk’. Binnen de stadswallen voeren romantische straatjes met winkels en oude huizen je terug in de tijd.

Dit artikel is gepubliceerd in En France 3-2010. Let op: prijzen, adressen en openingstijden kunnen sindsdien veranderd zijn.
Share |