De onbekende Ardèche

10 februari 2011 11:57
Voor de Ardèche moet je moeite doen: je kunt het departement niet over de snelwegen of per trein bereiken. De populariteit van het departement blijft daarom beperkt tot het zuidelijke deel met zijn mediterrane trekjes. Maar het koelere en onbekendere noorden, de Ardèche verte, is in ieder seizoen een oase van rust.
Tekst Cathelijne van Vliet
Fotografie Gabriela Hengeveld

Een licht gebogen man kuiert ons tegemoet met een enorme zeis over de schouder. Met waterige ogen kijkt hij ons aan. Wat we komen doen, vraagt hij en hij houdt zijn hand als een toeter aan het oor. “Wandelen,” roepen we. “Ah! Des etrangères!” Hij zet zijn zeis neer en stelt zich voor als Charlou, 79 jaar, voormalig boer. “Er zijn twee Ardèches,” vertelt hij en hij tikt af op zijn vingers. “In het zuiden heb je zon, hitte, kloven, lawaai en toeristen.” Hij trekt er een vies gezicht bij. “En dan heb je het noorden waar niets is, behalve het goede leven en stilte.” Het moge duidelijk zijn dat we ons in zijn noorden bevinden. We zijn vlakbij het dorp Désaignes, midden in de Vallée du Doux, een van de stilste valleien van de Ardèche.
Elke dag kapt Charlou met de zeis een stuk grond rond zijn huis. “Je moet werken om gezond te blijven. Maar het werk is veranderd. In de jaren vijftig had ik geen enkele machine en kon je als kleine boer met zes koeien nog overleven. Nu niet meer. C’est fini.”
Hij stáát erop. Charlou duwt ons de donkere keuken van zijn buurman Michel Reboulet binnen, vol met vliegen. Michel heeft met zoon Nathaël een geitenkaasmakerij. We krijgen een plakkerig glas witte wijn en een houten plankje met verschillende ronde kaasjes. De caillé doux is dik en romig. De drogere picodon heeft een AOC-label en mag alleen in de Drôme of de Ardèche worden gemaakt. Michel verkoopt ze op markten in de buurt en ook aan een traiteur in Parijs. In de Ardèche wordt veel geitenkaas gemaakt. Hij heeft zo’n vijf andere geitenboeren als buren, maar die ziet hij niet als concurrenten want er is een groot verschil tussen zijn kaas en die van hen. Zijn eigen geiten herkent hij niet aan hun kop, maar aan de uiers. “Dat krijg je bij twee keer per dag melken.” Buiten fluit zoon Nathaël scherp op zijn vingers naar zijn vijftig geiten in een gele wei vol brem. Ze stoppen onmiddellijk met grazen en komen met ringelende belletjes aanrennen. “Natuurlijk, ze gehoorzamen altijd.” Zelfverzekerde grijns op zijn knappe gezicht. De Ardèche is een van de dunst bevolkte delen van Frankrijk. Het is het een van weinige departementen dat niet via snelweg of spoorlijn te bereiken is. Er zijn geen grote steden. En dan woont hij ook nog eens in het allerstilste deel. Kan hij hier de rest van zijn leven doorbrengen? Nathaël knikt zonder te twijfelen. “Nergens is de natuur mooier dan hier.” Hij kan het weten, want hij heeft meer van de wereld gezien. “Ik ben zelfs op een kaasbeurs in Amsterdam geweest. Maar in de Ardèche heb je weer andere dingen.” Zoals? Weer die grijns. “Zoals het wereldkampioenschap baretwerpen: wie het verst zijn baret kan gooien.” Het enige wat er in de Ardèche ontbreekt, zijn vrouwen, zegt hij. “Als vrijgezel ga je hier naar de fêtes des célibataires: eten en dansen, met gratis toegang voor vrouwen.” Nathaëls ideale vrouw liep er niet rond. Daarom besloot hij het drastischer aan te pakken en schreef hij zich in voor de Franse versie van het televisieprogramma Boer zoekt vrouw: L’amour est dans le pré (‘liefde vind je in de wei’). Hij werd verliefd op een meisje uit Parijs, maar ze vond het leven in de Ardèche te stil en vertrok na een maand. “Gelukkig belde na de uitzending een ander leuk meisje dat ook van geiten hield. Zij hield wel vol en komt binnenkort bij ons in huis wonen.”
Denk je aan de Ardèche, dan denk je aan de beroemde Gorges de l’Ardèche waar jaarlijks een miljoen toeristen doorheen wandelen, rijden en kanoën. Aan overvolle campings en disco’s vol Nederlanders in het zuiden. Maar de populariteit van het departement blijft beperkt tot de Ardèche plein sud met zijn mediterrane trekjes. De groene, nattere en koelere rest, de Ardèche verte, is nog nauwelijks ontdekt. Dat ligt niet aan een gebrek aan mooie natuur, maar voor dit verlaten noordelijke landschap is meer fantasie nodig. In de jaren zestig werd de Ardèche overspoeld door hippies uit Parijs die er geiten gingen hoeden. Doordat de bodem van het ruige noorden moeilijker te bewerken is, was de ontvolking van het platteland hier in de jaren tachtig nog sterker dan in het zuiden. Werk, hippies, winkels en vertier – voor zover dat er was – verdwenen en de toeristen bleven hangen in de Gorges.

Pasgeverfde pijlen
Het dorp Boucieu-le-Roi in de Vallée du Doux is een van de dorpen die meer bezoekers waard zijn dan ze nu verwelkomen. Alle 284 inwoners kennen elkaar. In 2008 kreeg het dorp het label en bijbehorend bord ‘Village de caractère’, vertelt een medewerkster van de mairie die spontaan besluit mee te wandelen. “Veel gebeurt er hier niet. Hoogtepunt van het jaar was dat we dit label kregen. Daarvoor moesten we bloemen en prullenbakken neerzetten en oude gebouwen een verfje geven. Sinds twee dagen hangt het bord er, aan het begin van het dorp, en laten we hopen dat er toeristen op afkomen. Die hebben we hard nodig zodat de winkels open blijven en het dorp en de vallei niet leeglopen.” Oudere dorpelingen zitten in de namiddagzon op banken voor hun huis. Ze willen allemaal weten met wie de gemeentemevrouw aan het praten is. De traagheid straalt van de middeleeuwse huizen en straatjes af. Het is onvoorstelbaar dat hier in de dertiende eeuw het belangrijkste gerechtshof van de streek te vinden was. Pas geverfde pijlen wijzen naar het begin van verschillende wandelingen rond het dorp. Boucieu-le-Roi is klaar om te worden ontdekt, net als de bar-restaurant-magasin-épicerie. Hier kun je een hapje eten onder toezicht van een aantal opgezette vossen. Een menu kost twaalf euro voor ouvriers en veertien euro voor toeristen, die precies hetzelfde krijgen, maar dan met iets meer zorg bereid en opgediend.


Vijftig jaar terug
Vanuit deze lieflijke wandelvallei rijden we in westelijke richting door de naaldbossen en over de hoogvlaktes van de Montagne Ardéchoise. Verlaten hoeves en in elkaar gezakte terrasbouw laten zien dat het hier ooit drukker moet zijn geweest. Vlakbij het meer Saint-Martial is Le Hameau Gourmand te vinden. In dit stenen huis, op 750 meter hoogte verstopt in het groen, verhuurt Pascale Quinon kamers. Ze scharrelt onafgebroken pratend heen en weer tussen katten, kruiden, gasten en keuken. In haar berghut houdt deze voormalige tandartsassistente uit Noord-Frankrijk zich bezig met de promotie van gezond en biologisch leven. “Bien-être is veel te commercieel geworden. Ik wil dat mijn gasten zich goed voelen zonder dat ze een fortuin hoeven uitgeven.” Ze geeft hun massages en serveert kruidenthee en biologische menus curieux, met bloemen en planten uit eigen tuin en seizoensgroenten. “Ik wil laten zien dat je geen chique spa nodig hebt om te ontspannen. Zelf ga ik in de waterval tegenover het huis liggen en ik kom er herboren vandaan.”
En toch is het leven in de landelijke Ardèche niet altijd gemakkelijk, vertelt ze. “Het klimaat is extreem. In de zomer kan het heet zijn en in de winter soms zo koud dat op het Siberië lijkt. Hier wonen natuurmensen die vechten voor hun bestaan. Velen leven zoals vijftig jaar geleden. Ik heb vrienden, veertigers, bij wie de kippen door de woonkamer lopen. Mijn buurman heeft geen elektriciteit, alleen een open haard.”
In de wijde omgeving is geen postkantoor, school of ziekenhuis te bekennen. Mensen trekken dus weg. Volgens haar zijn toeristen de oplossing. “Er is geen werk hier, dus je moet wel heel verliefd op de streek zijn om er te wonen. Toerisme schept nieuwe banen. Maar let op: we willen alleen een bon tourisme. Niet de stresstoeristen die naar de Côte d’Azur gaan om te consumeren. In het hele departement is geen enkel Michelinsterrenrestaurant en zijn maar twee McDonald’s te vinden, en laten we dat zo houden. Maar er zijn wel honderden wandelpaden en ruimte om jezelf te herontdekken. Hier bestaat het nog: la France profonde. Er is hier niets, alleen natuur. Ik krijg steeds meer gasten uit de Provence die zich nooit gerealiseerd hadden dat de wilde natuur zo dichtbij is.” Haar kamers en menu’s zijn populair. “Ik kwam hier in de jaren tachtig en de mensen beschouwden me als een vriendelijk mevrouwtje met excentrieke, maar ongevaarlijke plannen. Nu doen ze mee. Ik koop eieren van de buren en vlees van koeien die met respect zijn verzorgd. Nu komen die conservatieve boeren mijn brandneteltaarten en vergeet-mij-nietjessalade eten.”

Dieper de stilte in
Pascale raadt een ‘sprookjesachtige’ weg aan richting het zuiden, die ‘iedereen kent’: de weg naar Sainte-Eulalie, het hoogst gelegen dorp van de Montagne Ardéchoise, met 260 inwoners. We rijden uren zonder andere auto’s tegen te komen langs uitgestrekte weilanden, bruine koeien, oude boerderijen en ruïnes. We dringen dieper en dieper de stilte in. Midden in deze stilte, in het gehucht Usclades-et-Rieutord, ligt een van de beste restaurants van de hele Ardèche. In de Auberge de la Besse eet je in de voormalige woonkamer van een eeuwenoude boerderij. In de koele ruimte lopen de donkere stenen van vloer, muren en plafond in elkaar over. Zelfs in de zomer branden er kaarsen. Vader en zoon Méjean staan in de keuken, moeder Eliane ontvangt de gasten. “Mensen hebben soms het idee dat wij bergbewoners een beetje achterlijk zijn. Zelfs in de rest van de Ardèche zeggen ze dat. Onzin natuurlijk, maar toeristen zijn wel heel belangrijk voor ons. Ze halen ons uit ons isolement.” Ze is optimistisch. “Er zullen er steeds meer komen. Stille streken worden steeds populairder. Hoe gehaaster het leven, hoe groter de behoefte aan authenticiteit.” Ook zij begint over het grote verschil tussen het noorden en zuiden. “Het type toerist is zelfs anders. Wij hebben de indruk dat de Nederlandse campingbezoekers in de Zuid-Ardèche niet zoveel om eten geven. Maar de Nederlanders die naar het noorden komen, zijn van een heel ander slag. Zij houden van bergen, wandelen, oude architectuur en een goede keuken. De meeste restaurants in de Ardèche serveren hetzelfde: grote bakken aardappelen en vette steaks. Wij koken met verfijnde producten zoals morilles. De salami is gemaakt van onze eigen loslopende varkens en de desserts, zoals glace à la verveine met riz au lait, hebben we zelf bedacht. We hebben vaste klanten die anderhalf uur komen rijden uit de Drôme, de Vaucluse en de Gard om bij ons te lunchen. Hier komen alleen lekkerbekken.” De eigenaresse wordt overal gevolgd door twee bizet-schapen, het ras van de Ardèche dat te herkennen is aan zijn gekromde neus en zwarte kop. “Het zijn weesjes die ik kreeg van een bevriende herder. Ik heb ze met de fles gevoed, stopte ze bij mijn hond in de mand en nu denken ze dat ik hun moeder ben.”
Het minst gecultiveerde deel van de Ardèche zijn de Cévennes ardéchoises met het Massif du Tanargue als indrukwekkend middelpunt. Op de top van een 680 meter hoge heuvel ligt kunstenaarsdorp Laboule. Het einde van de wereld, lijkt het. In ieder geval het einde van de doorlopende weg. Hier kom je alleen als je echt een doel hebt, dus als je een van de honderdtwintig inwoners bent of op zoek bent naar bijzondere ateliers. Georges Stahl is een van de tien kunstenaars die er wonen en werken. Hij kwam dertig jaar geleden vanuit Lotharingen op deze heuveltop terecht en bleef er om glazen, lampen, theepotten en kunstwerken van kristal en marmer te maken. Zijn werk is zelfs in Nederlandse galeries te vinden. Waarom hij hier woont? “Kijk naar buiten!” Nergens anders in Frankrijk kan hij zich zo’n groot atelier in zo’n ongerept landschap en met zulke vergezichten veroorloven. “Er komen steeds meer kunstenaars, maar we zijn geen sekte. We inspireren elkaar, maar slapen niet met elkaar.” Hij heeft steeds meer buitenlanders als buren. Geen probleem, vindt hij. “Als ze hier het hele jaar wonen zijn het voor mij Ardéchois. Toeristen zijn ook welkom, maar we willen geen massatoerisme en ook geen vakantiehuizen, die verpesten de sfeer met hun zwembaden en hoge hekken. Als het hier zoals de Provence wordt, vertrek ik. Leve de stilte. Leve de Ardèche.”

Dit artikel is gepubliceerd in En France 1-2010. Let op: prijzen, adressen en openingstijden kunnen sindsdien veranderd zijn.
Share |